Faddegons in Dordrecht – 18e eeuw

De eerste generaties

De oudst gevonden voorouders van de Faddegon-familie kwamen uit Dordrecht. Daar kwam ook voor het eerst de familienaam in gebruik.
Hendrik Jansz en Marijke Fransdr heetten nog met een patroniem naar hun respectievelijk vaders. In de volgende generatie komen we eerst de familienaam van der Gom en later Vattergom in allerlei varianten tegen.
De opeenvolgende generaties woonden gedurende de gehele 18e eeuw in Dordrecht:

Hendrick Jansz en Marijke Fransdr

 
stoelenmatterIn 1676 trouwde Hendrick Janszoon, stoelenmatter in de Marienbornstraat, met Marij Fransdr.

Hendrick was weduwnaar; hij was eerder gehuwd met Lijntje Pauwels, met wie hij zeven of acht kinderen had. Velen daarvan stierven jong, maar ten tijde van het huwelijk met Marij (Marietje, Marijke) waren er daar nog enkelen van in leven.

De huizen in Mariënbornstraat waren klein en werden door grote gezinnen bewoond. Ze stonden zo dicht op elkaar dat er nauwelijks licht- en luchttoevoer was. Pas begin 20e eeuw werden ze gesloopt.

Uit het huwelijk van Marij en Hendrick kwam nog eens een tiental kinderen voort. Vier van hen konden in latere archieven worden teruggevonden:

  • Frans (1677-1727);
  • Agnietjen (1689-1751);
  • Pieter (1692-1730);
  • Jacobus (1696-1726).

De kinderen die in de jaren tussen Frans en Agnietje waren geboren, zijn waarschijnlijk allen jong overleden.

Marij overleed waarschijnlijk rond 1696, kort na de geboorte van Jacobus.
Hendrick wendde zich voor het onderhoud van hem en zijn kinderen tot de Hervormde Kerk. Tot zijn overlijden in 1701 vonden we daarvan een registratie in het archief van de “bedeling”.

wezen uit het BurgerweeshuisFrans was al 24 toen zijn vader overleed, maar de jongere kinderen Agnietje, Pieter en Jacobus werden opgenomen in het weeshuis.

De inschrijving in het weeshuis in augustus 1701 vermeldde aanvankelijk de inschrijving van Marijke (12 jaar oud), Pieter (8 jaar) en Jacobus (5 jaar). Misschien noemde Agnietje zich Marijke en had zij bij haar inschrijving gezegd dat ze zo heette; ze werd wel met de juiste doopdatum geregistreerd. Niet lang daarna kwam de vergissing aan het licht en werd in de officiële boeken de naam Marijke doorgehaald en vervangen door Agnietje. Hoe dan ook leverde het drie eeuwen later een hele puzzel op.
Over Jacobus werd in de administratie genoteerd: “… den laesten bij het huijs ingenomen doch alsoo heel kleijn ende gebroken was daerom bij de vrou daer hij bij heeft gewoont noch voor een jaer besteet voor 50 gulden”. Kennelijk had hij wegens zijn gezondheid eerst extra zorg en aandacht nodig.

De kinderen werden in de administratie van het weeshuis voor het eerst vermeld met de familienaam “Henderickse Vattergom”.

 

Frans (1677-1727) was nog geen 19 jaar oud toen hij in 1696 trouwde met Hermina (Ermtje) Abrahamsdr. Evenwel, met wie hij zes kinderen kreeg. De inschrijving van hun ondertrouw vermeldde een familienaam: van der Gom.

Batavia 1649 - Adam WillaertsIn de VOC-archieven vonden we Frans, nu ook vermeld met de achternaam “Vatergom”. Hij reisde naar Indië als bosschieter aan boord van de IJsselmonde. Een bosschieter was een ervaren matroos, belast met het afvuren van de kanonnen en behoorde tot het lagere scheepsvolk.
Het schip vertrok van Goedereede op 11 januari 1709 en arriveerde in Batavia op 10 september 1709.
Frans’ maandgage bedroeg f12 en hij bepaalde dat de VOC jaarlijks 3 maanden gage moest uitkeren aan zijn vrouw, Ermtje Abrahams. Frans werkte enkele jaren in Batavia en keerde in 1713 met het schip de Westhoven voor de kamer Zeeland weer terug naar Nederland.

Niet lang na zijn terugkeer in Dordrecht overleed zijn vrouw Ermtje; een maand later huwde Frans Fatteregon met Jenneke Huibertsdr van der Dack. Zij woonden aan de Rietdijk en kregen samen nog drie kinderen.

Agnietjen (1689-1751) kwam in 1713 uit het weeshuis. Van haar is tot nu toe alleen teruggevonden, dat zij in 1751 overleed, 61 jaar oud.

Pieter (1692-1730) was door bemiddeling van het weeshuis opgeleid tot scheepstimmerman. In 1714 vertrok hij uit het weeshuis. Zijn oudere broer Frans was toen net terug uit Indië; die zal hem de nodige tips en inspiratie hebben meegegeven. Een jaar later monsterde hij aan bij de VOC en vertrok hij met het schip de Rijssel naar Indië. Vier jaar later reisde hij terug met de “Kiefhoek”. In augustus 1719 monsterde hij af in Goeree en een maand later trouwde Pieter in Dordrecht met Margaritha Becks. Meer over de geschiedenis van hun gezin volgt hierna.

Jacobus (1696-1726) werd in 1720 uitgeschreven uit het weeshuis. Het verslag van het weeshuis vermeldt:
“Den 13 December is met verlof van de Heeren Vaderen uit het huijs gegaan Jacobus Vattergom en is gevaren na Oost-indien in kwalitijt als jong Matroos voor de kamer Amsterdam met het schip de Neptunus, heeft in het huijs gewoont 19 Jaar en 4 maanden.”
In het VOC-archief is ook de registratie van Jacobus teruggevonden.

fort Batavia - CastelliniHij reisde voor de VOC als jongmatroos met een maandgage van f8 aan boord van de Neptunus. Dit schip vertrok van Goedereede op 23 februari 1721 en arriveerde in Batavia op 22 oktober 1721, waar Jacob zijn VOC-dienst voortzette op de Equipagewerf, waar hij in een logiesbarak woonde.

De Equipagewerf was gelegen aan de Ciliwung rivier tegenover Kasteel Batavia. Deze werf was gericht op onder meer de bevoorrading van schepen en niet op scheepsbouwactiviteiten.

In 1724 ging Jacob met het schip Prins Eugenius naar Padang op West-Sumatra. Daar overleed hij op 15 januari 1726.

Volgens de VOC-administratie bouwde hij in de laatste jaren van zijn leven een tegoed op van f72.9.11. (72 gulden, 9 stuivers en 11 cent, dat was ruim een half jaarsalaris). Dit bedrag werd (twee jaar later) verdeeld onder zijn erfgenamen: Jenneke van der Dak (weduwe van Frans Fattegom), Grietje Fattegom en Agnietje Fattegoon (zusters), Lijntje Masson en Lambert Romijn (nicht en neef van Jacobus).
Zoals zo vaak levert ook dit archiefstuk weer de nodige puzzels op. De genoemde nicht en neef zijn waarschijnlijk kinderen van een halfzus uit het eerste huwelijk van Jacobs vader. Van de genoemde zus (of half-zus) die Grietje heette, ontbreekt verder ieder spoor.
Ook is het bijzonder, dat Jacobs broer Pieter niet bij de erfgenamen werd genoemd. Wellicht werd ervan uitgegaan, dat Pieter inmiddels was overleden. Zoals hierna zal blijken, was Pieter in 1724 “verdwenen” en wist zijn vrouw niet waar hij was.


 

Pieter Vattegon en Margarita van Beck

 
Een jaar na zijn vertrek uit het weeshuis monsterde Pieter in 1715 aan op het schip de Rijssel voor de VOC kamer Zeeland.

Het eiland Onrust bij Batavia -Abraham Storck 1699Hij kwam in dienst als timmerman en was in die functie “verantwoordelijk voor de romp, de pompen en ander houtwerk” met een maandgage van f28.

Het schip begon de reis vanuit Zeeland op 10 januari 1715 en arriveerde in Batavia op 18 juli 1715, waar Pieter aan land ging op het eiland Onrust en zijn VOC-dienst voortzette. Het eiland Onrust lag voor de kust bij Batavia; de VOC had er een scheepsreparatiewerf. Pieter bleef hier onafgebroken totdat hij in 1719 aan boord van de Kiefhoek voor de kamer Rotterdam weer terugkeerde in Nederland.

Op 8 augustus 1719 monsterde hij af en op 3 september 1719 werd de ondertrouw van Pieter Vattegon en Margarita van Beck ingeschreven. Margarita’s moeder, Petronella van Steenbergen was bij het huwelijk aanwezig. Haar vader, Johannes van Beck, was toen reeds overleden.

Pieter woonde in de Sarisgang, Margarita net om de hoek, in de Vriesestraat.
Pieter was toen bijna 27 jaar oud, Margaritha was vier jaar ouder.

Dat het huwelijk plaatsvond binnen een maand nadat Pieter uit Indië terugkeerde, wijst er op, dat de twee elkaar al langer kenden. Dan had Margaritha dus ruim vier jaar op Pieter gewacht…
 
Op 25 mei 1720 sloten Pieter en Margarita een testament op de langstlevende af, waarbij de weeskamer werd uitgesloten.
Ze kregen twee kinderen, Johannes en Pieter, die op resp. 30 april 1721 en 11 december 1722 ten doop werden gehouden.
 
In het requestenboek van het gerecht in Dordrecht werd een volgend spoor gevonden.
Op 31 juli 1727 deed het gerecht uitspraak over een verzoek dat Margarita daar eerder dat jaar indiende. Haar moeder was inmiddels overleden en had haar in het testament niets nagelaten, in tegenstelling tot haar twee jongere broers.
Zij verzocht alsnog om het erfdeel, “ter Somme van Twee Hondert Twee entSeeventigh Guldens, dertien Stuijvers en Tien Penningen, mitsgrs een Silvere Beeker en twee Silvere Leepels” aan haar toe te wijzen.
Als reden voerde zij aan, dat “haar man buijten kennis en weten van haar is weggelopen en haar verlaten heeft in Soo Sij nu komt te hooren, is gevaren naar Oost Indien Sonder aan haar affscheijt te neemen off Sonder dat Sij weet off hij nu Leevend off dood is, latende haar in een Slegten Staat Sitten, Sonder de kost voor hare kinderen die nog Seer Jong Sijn te konnen Winnen“.

soldijboek VOC Slot AldegondeUit het archief van de VOC-opvarenden blijkt, dat Pieter Vattegon op 31 oktober 1724 opnieuw in dienst was gegaan bij de VOC, nu als “Opperscheepstimmerman” op het schip “Slot Aldegonde” met een maandgage van f44. Op 1 augustus 1725 kwam het schip in Batavia aan.
Pieter verbleef enige tijd in Batavia, diende vervolgens aan boord van de Hogermeer. Hij werd zik en moest woden opgenomen in het ziekenhuis van Batavia.
Daarna werkte hij op het eiland Onrust, waar de scheepsreparatiewerf was gevestigd, deed dienst op de Haaksburg en begon uiteindelijk met het schip de Heinkenszand aan de terugreis naar Holland, maar daar zou hij nooit aankomen. Pieter overleed aan boord van het schip op 18 februari 1730 na het maken van een testament. Hij had toen nog f920.2.4 tegoed van de VOC. Dit werd uitgekeerd aan zijn weduwe en kinderen.

Schokkend nieuws dus over deze voorvader, die zijn vrouw liet zitten met twee peuters. Ook het verdere leven van deze kinderen is waarschijnlijk niet makkelijk geweest. Op 11 februari 1732 overleed Margarita, 43 jaar oud. Haar kinderen waren toen 10 (Johannes) en 9 jaar (Pieter).
Vijf dagen later werden beide jongens opgenomen in het weeshuis.

Jan kon het weeshuis verlaten in 1745 en huwde, nog geen twee maanden na zijn vertrek, met Caatje de Groot. Meer over de geschiedenis van dit gezin volgt in het volgende hoofstuk.

Pieter vertrok twee jaar later uit het weeshuis.
Hij was, net als zijn vader, opgeleid tot scheepstimmerman. In 1751 werd hij bij de VOC ingeschreven als Pieter van Gom. Hij vertrok als ondertimmerman naar de oost met het schip Nieuwvijvervreugd en werkte enkele jaren op het eilandje Onrust bij de haven van Batavia; dezelfde locatie waar ook zijn vader een kleine 35 jaar eerder had gewerkt. Pieter junior overleed op Onrust op 25 maart 1755. De restanten van zijn VOC verdiensten werden uitgekeerd aan het Weeshuis te Dordrecht.

 

Johannes Vaddegom en Catharina de Groot

Jan Fattigon mocht op 17 april 1745 het weeshuis verlaten. Hoewel jongens en meisjes in het weeshuis strikt gescheiden waren, had Jan daar waarschijnlijk toch verkering gekregen met Kaetje de Groot.
Al op 3 juni van dat jaar gingen zij in ondertrouw en ruim twee weken later werd het huwelijk ingezegend:

Johannes Vaddegom, J.M. woond in de Kolfstraat, geassisteert met zijnen oom Jan Singels, met Caatje de Groot, J.D., woond op de Verekemarkt, beijde van Dordrecht, geassisteerd met haare grootmoeder Caatje Swart nu huijsvrouw van Jan van Rijnen, den 20 junij 1745 alhier getrouwt door dom. Rossijn.
 

Caatje de Groot was de dochter van Jacob de Groot en Jacoba Singels en werd geboren op 12 november 1722 in Dordrecht. Caatjes moeder was overleden toen zij vier jaar oud was. Haar vader hertrouwde kort daarop, maar overleed toen Caatje twaalf was, waarna zij in het weeshuis werd ingegeschreven.
De in de akte genoemde grootmoeder, Caatje Swart, was de moeder van haar vader.
De oom Jan Singels, die in de trouwakte bij de bruidegom wordt genoemd, is een broer van Caatjes moeder, dus dat is in de akte foutief vermeld.
 
Johannes (ook Jan en Johan genoemd) en Caatje (ook Kaetie en Catharina) kregen acht of negen kinderen, die puzzel is nog niet helemaal rond. In de genealogie staan alle tot nu toe gevonden gegevens. De begraafregisters vermelden alleen de naam van degene die betaalde voor de begrafenis. De naam van hun vader Johannes komt vijf keer in die registers voor. Vier van hun kinderen bereikten de volwassen leeftijd:

  • de oudste zoon Pieter (1746), dat is onze volgende stamouder in de lijn. Zijn verhaal volgt hierna op deze pagina.
  • dochter Jacoba (1747). Zij overleed in 1771, ongehuwd,
  • dochter Margaritha (1753). In 1785 woonde zij in de Boomstraat toen zij huwde met Barent Hendrik Brilman uit Naaldwijk. Ze overleed in 1809 op 55-jarige leeftijd in ’s Gravendeel.
  • zoon Johannes (1757). Deze Johannes was de stamvader van de eerste “zijtak” van de familie. Hij werd horlogemaker in Oudewater en kreeg kinderen en kleinkinderen. In 1905 overleed zijn laatste mannelijke nakomeling, zodat de naam Faddegon in deze tak van de familie is geëindigd. Op de pagina Faddegons in Oudewater staat het verhaal over deze familie.

Woonadressen van Johannes en Caatje zijn nog af te leiden uit gegevens uit het begraafboek van de Nieuwe Kerk:
– 1758, “het kind van Johannes Faddegon in de armenhuisstraat, beide ouders leven”
– 1759, “het kind dat door de moeder is geboren van Meester Johannes Faddegon in de Doelstraat. Beide ouders leven”.

De Schoolklas door J.J.Horemans - 18e eeuw“Meester” Johannes Faddegon duidt op een onderwijzende functie. In een proefschrift van Cornelis Essenboom staat een tabel met “Dordtse particulier schoolmeesters bij het lager onderwijs in de 18e eeuw”. Daarin staat Johannes Faddegon vermeld, van 1751 tot 1762.
Het onderwijs werd door de particuliere onderwijzers aan huis gegeven aan een beperkt aantal kinderen. Om onderwijs te mogen geven moest men tenminste 25 jaar oud zijn, gereformeerd, en van een voorbeeldige levenswandel kunnen getuigen. 
Johannes zou slechts elf jaar onderwijzer zijn, want hij overleed op 14 juli 1762, 41 jaar oud. Het begraafboek van de Nieuwe Kerk vermeldt: “begraven 15 juli 1762, Johannes Faddegon in de Doelstraat, laat kinderen na. Beste graf.”
 
Caatje bleef als weduwe met jonge kinderen achter. De jongste, die 6 jaar oud zou worden, was toen net geboren, de oudste (Pieter) was 16. Caatje overleed ruim 35 jaar na haar man, op 28 december 1797. Zij zou dus 75 geworden zijn, hoewel het begraafboek van de Grote Kerk meldt:
“Catharina de Groot, weduwe van Johannes Faddegom, oud 76 jaar, wonende in de Raamschestraat is op 30 december 1797 begraven met de lijkkoets en volk er agterop. Laat kinderen na.”
Dat van die koets klinkt nogal chique, maar elders staat dan weer de aantekening “pro deo”.
 
Wat we van de sociale status van deze familie moeten denken blijft vooralsnog onduidelijk. Het adres “armenhuisstraat” klinkt niet best; dat “meester” Johannes Faddegon het “beste graf” krijgt is dan wel weer mooi…
 

 

Pieter Faddegon en Alida Swanenburg

Pieter was de oudste zoon van Johannes en Caatje; hij werd op 20 februari 1746 in Dordrecht gedoopt in de hervormde kerk. Zijn vader was particulier onderwijzer. Hij overleed toen Pieter 16 jaar oud was.
Pieter werd horlogemaker, maar van wie hij dat vak had geleerd, is niet bekend. Ook zijn tien jaar jongere broer Johannes zou zich in dit vak bekwamen.

In 1769, Pieter was toen 23, huwde hij met Alida Swanenburg. Alida woonde tot haar trouwen in Gouda, was zes jaar ouder dan Pieter en was geboren in Enkhuizen als dochter van Pieter Swanenburg en Anna Grevestuk. Dominee Q.F. van Rijn zegende het huwelijk in op 12 november.
Pieter en Alida kregen, voor zover we konden nagaan, zes kinderen:

  • Catharina (1770)
  • Pieter (1772); dit kind overleed toen het 10 maanden oud was. Het begraafboek van de Nieuwe Kerk meldt: “’t minderjarig kind van Pieter Faddegon in ’t Vergult Comptoir. beste graf“.
  • Anna (1774)
  • Jacoba Margrieta (1777)
  • Pieter (1779)
  • en in 1783 meldt het eerder genoemde begraafboek: “’t kraam kint van Pieter Faddegon in de prinsestraat. beste graf“.

Het “Vergult Comptoir” is waarschijnlijk een huis geweest, waar (ooit) administratieve werkzaamheden werden verricht. Elders in de archieven van Dordrecht werden koopaktes gevonden van een huis, waar uithangt “het Vergulde Comptoir”, staande bij de Boom omtrent de Nieuwkerkstraat en van waarschijnlijk hetzelfde huis, genaamd “het Vergult Comptoir”, staande in de Oude Houttuin omtrent de Torenstraat.
Boomstraat hoek TaankadeHuizen werden tot het begin van de negentiende eeuw nog niet afzonderlijk genummerd. In koopaktes werd een omschrijving gegeven om duidelijk te maken over welk pand het ging.
In 1784 kocht Pieter twee huizen in de Boomstraat voor f.1600,-.  Een akte uit 1789 beschrijft de verkoop van een huis in de Boomstraat op de hoek van de Taankaai, aan de andere kant grenzend aan het huis van Pieter Faddegon. Zo weten we dus dat het huis in de Boomstraat waar Pieter woonde het tweede huis van de hoek was! Bijzonder is wel dat Pieter twee huizen kocht; wellicht deed hij dat om ook andere familieleden te huisvesten. Ook moeder Caetje woonde in 1789 in de Boomstraat, evenals zijn zus Margarita tot haar huwelijk in 1785; wellicht woonden zij in een van de huizen van Pieter.
Theetuin buiten de SingelOok in 1784 kocht Pieter “de beterschap van een thuin met deszelfs thuinhuis en zomerhuis, gelegen in ‘t Geldeloze pad eve buiten deze Stad” voor f.285,-.  Eind achttiende eeuw waren er buiten de Singel meerdere buitenverblijven van welgestelde Dordtenaren. Kennelijk had ook Pieter de financiële mogelijkheden, waarschijnlijk ging het hem redelijk voor de wind.

Dat het hem financieel niet slecht ging, blijkt ook uit een in Gouda gevonden akte uit 1787, waarin Pieter verzocht tot opheffing van de sequestratie (= beslaglegging) van de boedel van zijn elf jaar jongere broer Johannes. Deze had zich een paar jaar eerder in Gouda gevestigd, maar was weer vertrokken “zonder op zijne zaken orde te hebben”. Pieter verklaarde garant te staan voor de kosten.

Politiek waren het onrustige tijden in Holland; er was veel verzet tegen het zwakke bestuur door het Huis van Oranje. Er ontstond een beweging met volksmilities, die meer zeggenschap wilde over het bestuur. Ook de Dordtse afgevaardigden in de Staten van Holland waren op de hand van deze Patriotten. Aanvankelijk werd in 1787, door ingrijpen van de koning van Pruisen, Stadhouder Willem V weer in zijn positie hersteld, maar in 1795 werd, met hulp van Franse troepen, de Bataafse Republiek uitgeroepen. Ook Dordrecht vierde feest.
Pieter Faddegon werd lid van de Volks-Sociëteit tot behoud van Vrijheid en Gelijkheid, opgericht in het eerste jaar van de Bataafse Vrijheid. Wellicht heeft hij gehoor gegeven aan de oproep in het pamflet “aan haare Medeburgers”.

Prinsenstraat 75 in 2020In 1796 kocht Pieter een huis in de Prinsenstraat D0126 voor f.2000,-. Uit de beschrijving in de akte valt af te leiden, dat dit het huis naast het hoekhuis op de Kleine Kalkstraat was, huidig huisnummer 75.

Hij was nu stemgerechtigd in de wijkvergaderingen, waarvan hij, zo blijkt uit de presentielijsten, een trouw bezoeker was. Pas in 1801 wordt Pieter sr. voor het eerst als “absent” genoteerd. Ook zoon Pieter jr. was stemgerechtigd, maar vond de vergaderingen kennelijk niet boeiend: bij zijn naam staat steeds: “absent”.
De idealen van de Bataafse revolutie blijken al snel vervangen te zijn door nieuwe beperkingen. Het bestuur van Dordrecht diende zich te schikken naar besluiten die op nationaal niveau werden genomen. De stad raakte haar privileges, zoals het stapelrecht, volledig kwijt en de financiële situatie verslechterde snel.
Of ook Pieter Faddegon hier al last van kreeg weten we niet, maar eind 1797 verkocht hij zijn bezittingen buiten de stadspoort voor f.500,-.

In de jaren die volgden zouden, kort na elkaar, alle vier zijn kinderen het huis uit gaan.

  • In 1798 trouwde dochter Anna, 23 jaar oud, vanuit het ouderlijk huis op de Prinsenstraat met de drie jaar jongere Cornelis Vernes, winkelier in Dordrecht. Anna en Cornelis kregen vijf kinderen en bleven in Dordrecht wonen in de Vriesestraat (huis C1830, waarschijnlijk huidig huisnummer 122). In 1806 stond Cornelis daar vermeld als zilversmid. Twintig jaar later verhuisden ze, na het overlijden van vader Pieter Faddegon, naar Vriesestraat C1669 (nu nummer 96), waar Anna in 1846 overleed, 71 jaar oud. Cornelis stond nu ingeschreven als visverkoper. Hij overleed vier jaar later, in 1850.
  • Een half jaar later was het de beurt aan Jacoba Margaritha. Zij was toen 21 jaar en woonde in Amsterdam in de Haarlemmerhouttuinen. Het huwelijk met Hendrik Vleugels uit Vlissingen werd ingezegend in de Waalse kerk aldaar. Zij vestigden zich korte tijd in Dordrecht. Jacoba bleek toen al in verwachting: vier maanden na haar huwelijk werd haar eerste kind geboren. In 1802, na de geboorte van de tweede, vertrok het gezin naar Vlissingen, maar vier jaar later vestigden zij zich in Gorinchem, waar Hendrik herbergier werd in de Arkelstraat. Interessant is een akte, waarin Pieter verklaart borg te staan voor “Zijnen Schoonzoon Hendrik Vleugels, zijnen Huisvrouw en te Verwekken Kinderen” tot een bedrag van driehonderd gulden. Wellicht had dit te maken met de schade die ook dit gezin zal hebben geleden ten gevolge van de watersnoodramp van 1809. (Meer over die ramp staat op de pagina over het gezin van Pieter jr., die in diezelfde tijd in Gorinchem verbleef).
    In 1813 overleed Hendrik, 38 jaar oud. Margaritha verhuisde naar Vlissingen, waar haar zoon Pieter Vleugels woonde. Zij overleed daar in 1838, 60 jaar oud.
    Een van de nakomelingen van deze Pieter Vleugels heeft in de jaren ’90 van de 20e eeuw uitgebreid genealogisch onderzoek gaan. Van veel van haar aanvullende gegevens, is ten behoeve van deze website dankbaar gebruik gemaakt.
  • Ook in 1799, in dezelfde maand als haar jongste zus, trouwde Catharina op haar 28e, vanuit het ouderlijk huis, met Pieter Giltay. Pieter was winkelier in ’s Gravendeel. Wellicht leerden zij elkaar kennen via Catharina’s tante Margaritha, die ook in ’s Gravendeel woonde. Na het overlijden van haar man, in 1828, kwam Catharina terug naar Dordrecht. Zij ging wonen in de Vriesestraat C1686, waarschijnlijk was dat het huis waar tot dan haar zus Anna en zwager Cornelis hadden gewoond. Catharina overleed daar in 1848, 77 jaar oud.
  • Toen Pieter jr. in 1802 in het huwelijk trad, had hij het ouderlijk huis al verlaten. Hij was 22 jaar en woonde op de Tolbrug (huidig nummer 7) toen hij met Dordtse Lena Belia Leemschot trouwde. Zij vestigden zich in de Voorstraat (C004, ter hoogte van het huidige nummer 229). Daar werd hun eerste kind, Johannes geboren. Kort daarna vertrokken zij naar Willemstad en in 1807 naar Gorinchem. De geschiedenis van dit gezin, dat langs minstens twaalf verschillende woonplaatsen in Holland en Utrecht zou trekken, staat op de pagina familie Faddegon-Leemschot.

Behalve Anna en Cornelis waren nu rond 1804 alle kinderen van Pieter en Alida uit Dordrecht vertrokken. Pieter verkocht het huis in de Prinsenstraat weer in 1807; hij kreeg er f.1600,- voor.
Pieter en Alida verhuisden terug naar de Boomstraat, waar Alida in 1813 op 76-jarige leeftijd overleed. Misschien was dit hetzelfde huis als waar ze 25 jaar eerder woonden. De akte vermeld twee nummers: C142 129, dat waren Boomstraat 12 en 6. Deze huizen werden in 1960 gesloopt.
De aangifte van Alida’s overlijden werd gedaan door haar zoon Pieter, 32 jaar en horlogemaker in Oud-Beijerland en door schoonzoon Pieter Giltay, 39 jaar en winkelier in ’s Gravendeel.

Pieter senior was toen 76 jaar oud. Of hij nog als horlogemaker werkzaam was, staat in deze akte niet vermeld.
Vijf jaar later betaalde hij nog wel belasting op personeel en meubilair.
Hij stond toen (in 1813) ingeschreven op D0976 (Vriezestraat 57) als cathechiseermeester in het weeshuis.

Weeshuis in klooster Mariënborg - eind 18e eeuw
In 1804 was hij daar aangesteld als assistent van de toenmalige cathechiseermeester, die op leeftijd begon te raken. De notulen van de vergadering der Vaders en Regenten van 9 juni melden:
“De Cathechiseermeester van ’t huis J.Rozendael, heeft, vermits zijne hooge Jaren, tot zijn assistent met de survivance, verzocht de persoon van Pieter Faddegom, om hem voor niet te assisteren. Is geresolveerd gem. Faddegom, te admitteren, om buiten kosten van het huis, gem. Rozendael te assisteren, met toezegging, indien hij zich wel gedraegd, de survivance te zullen genieten, met speciale recommandatie, nochtans, om wegens het onderwijs der kinderen, in alles communicatief te gaen met den cathechiserende Predikant van het huis in der tijd.”
Kennelijk gedroeg hij zich in de eerste jaren goed, want Pieter nam de functie van cathechiseermeester over, in ieder geval dus voor 1813. Maar in de Resoluties en Notulen van 1818 uit het weeshuisarchief werd de volgende interessante tekst gevonden:
 
“Nog is den President verzocht den Heer Rentmeester voortestellen of zijnEd zich zoude kunnen informeeren bij den Cathechiseermeester van Westreenen of hij zoude kunnen in dien Post het huis bedienen, daar de thans fungeerende Faddegon, minder genoegen geeft als men wel verlangde en ten nutte der leerlingen boven genoemde Westreenen de Vergadering geschikter voorkwam”.
Een maand later werd in de notulen vastgelegd, dat “… gemelde Westreenen niet ongenegen is dit Weeshuis te dienen maar niet blotelijk op. Want dat hij verplicht was het belang van zijn talrijk Huisgezin in acht tenemen en dus alvorens behoorden te weten wat Vaders en Regenten hem zoude willen toeleggen.“

Acht jaar later, op 20 september 1826, overleed Pieter, 82 jaar oud. In de overlijdensakte staat, dat hij Cathechiseermeester was en was overleden in het huis getekend C1669 in de Vriezestraat (huidig nummer 96).

Pieters functie in het weeshuis was toen waarschijnlijk reeds lang beëindigd. Uit de notulen van de vergadering van de regenten blijkt, dat hij nog wel een pensioen ontving. Nu dat door zijn overlijden was vervallen, had de tegenwoordige cathechiseermeester van Westreenen laten weten “… dat hij zoo lang als aan den oud Cathechizeermeester pensioen werd uitgereikt geene verzoeken heeft willen doen, maar nu door des zelfs dood het Huis van die uitgaven bevrijd is, verzoekt hij dat zijn Tractement tot 80 Guldens verhoogd wordt. Over welk voorstel gedelibereerd zijnde is in dat verzoek toegestemd”.

Aan de hand van de vele in Dordrecht bewaard gebleven documenten kunnen we ons van deze voorouder al iets meer een beeld vormen dan van de oudere generaties. Het gezin van Pieter en Alida zal het financieel niet slecht hebben gehad en behoorde waarschijnlijk tot de gegoede middenklasse. Pieter was maatschappelijk geëngageerd, getuige zijn lidmaatschap van de Volks-Sociëteit en zijn aanwezigheid bij de volksvergaderingen. Zijn werk op latere leeftijd als cathechiseermeester lijkt een opmerkelijke stap, maar kan misschien ook uit een sociale betrokkenheid worden verklaard. En de opmerking dat hij daarin “minder genoegen geeft als men wel verlangde” spreekt tot de verbeelding.

Hiermee is de Dordtse familiegeschiedenis geëindigd; na het overlijden van Anna in 1836 en Catharina in 1848 verdween, na anderhalve eeuw, de naam Faddegon voorgoed uit Dordrecht.

 
Op onderstaande kaart uit 1742 zijn de adressen aangegeven, waar Pieter Faddegon en zijn kinderen en, voor zover gevonden, zijn ouders en grootouders, in Dordrecht hebben gewoond.

adressen familie in Dordrecht

 

Reacties of aanvullingen? Klik hier.